vrijdag 7 mei 2010

Een lichte tinteling

Al twee dagen zat hij op zijn kamertje, helemaal klaar om de woorden te laten komen. Maar hij zag alleen de muren komen. Eerst traag en vriendelijk, als een onbekende die op straat schuchter op je afstapt om de weg te vragen, dan sneller en dreigender, met een kap over het hoofd en een knipmes in de rechterhand.


Het zweet brak hem uit terwijl hij zich op het quasi lege scherm probeerde te concentreren. ‘Al twee dagen zat hij op zijn kamertje, helemaal klaar om de woorden te laten komen’, stond er, en verder niets. Alle technieken die hij geleerd had op de schrijfcursus – mindmapping, notitieboekjes, schrijfsoftware, 'probeer eerst eens iets sl├ęchts te schrijven' - lieten hem in de steek of leidden telkens tot hetzelfde resultaat: ‘Al twee dagen zat hij op zijn kamertje, helemaal klaar om de woorden te laten komen.’

‘Iedereen heeft iets te vertellen, iedereen heeft een verhaal!’ had zijn schrijfcoach hem net iets te enthousiast op het hart gedrukt, ‘en als je me niet gelooft, lees dan eens De man die werk vond van Herman Brusselmans!’. Na twee dagen was hij er echter van overtuigd geraakt dat zijn verhaal zich beperkte tot de vier muren om hem heen, zijn smoezelige laptop, en zijn hopeloze droom om een gerespecteerd schrijver te worden.

Of ja, misschien behoorde ook de pin-up op de muur tot zijn verhaal, een overblijfsel uit zijn studententijd waar hij geen afstand van kon nemen: ‘Ik hang die poster aan mijn muur en die blijft daar hangen tot je hem komt ophalen!’ had hij in een overmoedige bui beloofd aan de vriend die de poster bij hem laten liggen had en die ondertussen bij de bank werkte, in een villawijk woonde en een internetaansluiting had en dus wat beters te doen had dan pin-upposters ophalen.

Soms bewoog hij zijn handen over het scherm zonder het aan te raken. Een lichte tinteling verspreidde zich daarbij via zijn vingertoppen over zijn lichaam, het soort gekriebel dat je ook voelt als je te dicht bij het scherm van een oude televisie komt. Het voelde alsof hij een mooie maar onbekende naakte vrouw benaderde die lag te slapen en die verschrikt zou wegrennen zodra ze hem gewaar werd. Hij voelde zich zondig. Na enkele seconden trok hij zijn vingers snel weg, bang als hij plots was om zijn energiebron te ontstemmen.

Soms moest hij naar het toilet, dat deed hij dan zo snel mogelijk om geen ingevingen te mislopen. En toen hij terug was prees hij zich gelukkig dat zijn houvast er nog altijd was, het zinnetje dat zijn nieuwe beleveniswereld verzinnebeeldde en ergens in zich de kiem moest dragen van een van de duizenden ongeschreven verhalen die daar buiten ronddwaalden, met een kap over het hoofd en een knipmes in de rechterhand.